2004: Verdacht vlees

2004: Schreeuwen naar vroeger
2004: Echte legerslaapzakken!

De slager heeft een zoon. Een donker-sluikharige snaak van een jaar of vijftien. Zo’n onbeholpen slungel in een veel te grote witte jas die op woensdagmiddag en zaterdag het kalfsgehakt voor de tweede keer door de molen mag proppen. Een engerd als in de film ‘The Boys from Brasil’. Er gaat iets beklemmends van hem uit. Het snijden in andermans vlees bekoort hem wel, vermoed ik.

De dikdoener

Ik sta zuchtend op mijn beurt te wachten, want natuurlijk heb ik het ongeluk net een dikdoenerig heertje voor me te hebben, zo’n vadsig verzekeringsagententype. Een bril met gouden montuur draagt hij, een zegelring en een duur, maar niettemin slecht zittend pak. Hij probeert te imponeren door lukraak acht onsjes verschillende vleeswaar te bestellen. De andere klanten wrokken in stilte omdat ze zo lang moeten wachten. De zaak raakt voller, want de bloedworst wordt hier gesneden waar je bij staat, dus dat duurt wel even. Het ongeduldig schuifelen van voeten in het zaagsel op de granieten vloer neemt toe.

De engerd uit de koelcel

Haast ongemerkt gaat intussen de zware deur van de koelcel een stukje open. Daar is het slagersjong. Stiekem staart hij door de kier de volle winkel in, een kille glimlach op de lippen. Krijgt hij het niet koud? Hij moet daar toch al een tijdje binnen zijn geweest.

Nauwelijks zichtbaar voor de klanten staat hij iedereen op te nemen. Die achterbakse glinstering in zijn ogen bevalt me niets. Hij lijkt zich te verkneukelen, alsof hij kweetnietwat heeft uitgehaald met al dat vlees dat nu over de toonbank gaat.
Langzaam duwt hij de deur verder open en stapt naar buiten. Het inwendige van het mortuarium wordt een ogenblik zichtbaar. Halve varkens, stukken koe. Ik bespeur zo gauw geen geslachte kat of andere vermiste buurtgenoot. Oppervlakkig bezien lijkt alles in overeenstemming met de warenwet.
De engerd staat inmiddels met z’n rug naar ons toe het hakblok te schuren. Regelmatig kijkt hij om en lijkt zich in stilte vrolijk te maken.

Lees ook:
2004: Twee hysterische dames

Neusvuil

Ik voel mij onbehaaglijk. Zal ik weggaan, een andere slager zoeken? Zinloos, want er is telkens wel wát. Ik ben al eens van slager veranderd. De vorige had altijd gehakt of tartaar aan zijn vingers. Ik verliet zijn klantenkring nadat ik een tientje wisselgeld van hem had teruggekregen waaraan een kloddertje gehakt kleefde. Ik merkte dit pas op toen ik daarna bij de groenteman met datzelfde tientje betaalde. De man staarde er nadrukkelijk naar, alsof het neusvuil was. Daar leek het inderdaad op.

Een grijnzende blik

De dikdoener vóór mij heeft eindelijk afgerekend en dringt zich met zijn vleeswaar door de wachtende massa. Hij trapt op de meeste tenen.
“Wie is er aan de beurt?” informeert de slager zoetsappig.
Ik. De puber bij het hakblok werpt mij van achter zijn vaders rug een grijnzende blik toe. Het oorspronkelijk idee om vanavond malse sudderlapjes klaar te maken laat ik terstond varen. Ik bestel slechts een half pond hart. Een kat heeft toch nergens weet van…

Verschenen in nieuwsbrief nr 151 van het literair tijdschrift OpSpraak en op Verbal Jam. Later uitgezonden bij cultureel programma De Avonden van de VPRO.

Download PDF
(10 keer gelezen)

 

Geef een reactie

Geef als eerste een reactie!

Abonneren op
avatar
wpDiscuz