2004: Hondenweer en Schele kaas

Buiten leven de wind en de regen zich uit. Ik sta in de hal van ons flatgebouw om de post op te halen. Uit de lift komt de buurman met zijn hond. Dat tref ik weer. Van de vierentwintig uren in een etmaal vertoef ik alles bij elkaar genomen misschien een luttele vier minuten in de hal. En uitgerekend in die vier minuten kom ik de man tegen die ik nimmer wil tegenkomen. Want hij is de man van de nietszeggende opmerking.

2004: Het fijne van de tandarts

Sommige mensen zijn bang voor de tandarts. Ik niet, ik ga er fluitend heen. Of ik ook fluitend terugkom is een andere kwestie, maar dat ligt meestal aan een nog niet uitgewerkte verdoving. Ik heb trouwens een beetje een literaire tandarts, want zij is een lieve jonge vrouw die is vernoemd naar de titel van een boek.
Ik lig weerloos achterover in de stoel en terwijl mijn tandarts lekker aan het klussen is, krijg ik de tijd om na te denken. Over het beroep van tandarts bijvoorbeeld.

2004: Een enorme brand

ScholenbrandAls kind groeide ik op in nieuwgebouwde buitenwijken. De meeste voorzieningen waren er nog niet of slechts voor nood. Het zand stoof zonder ophouden over de rechte stroken bonkige kasseien die later straten moesten worden. Deze kasseien noemde men kinderkopjes. Waarom weet ik niet. Wij als kleine schoffies groeven ze uit en probeerden ze naar elkanders kinderkop te gooien als we ruzie hadden. Vandaar misschien. Ze waren echter dermate zwaar dat ze meer als afschrikkingswapen konden dienen dan als effectief projectiel.

2004: Brallende ballen langs de roeibaan

De lentezon lokt ons naar buiten en wij wandelen in het Amsterdamse Bos langs de roeibaan. Er heerst een gezellige drukte, want er zijn net roeiwedstrijden aan de gang. Ik weet niets van roeien, behalve dat de beoefenaars, inclusief de dames, dikwijls grote handen hebben. Dat komt natuurlijk van dat eindeloze rukken aan die roeispanen.

2004: Schreeuwen naar vroeger Griezels in de fietsenstalling

FietsenstallingIk wandel door de wijk waar ik als onderdeurtje woonde. De aanblik van de huizen, de lichtval, ik hoef mij maar in de straten te bevinden en vanzelf wordt het weer prettig warm in mij. Vroeger was alles beter, denk ik tegen beter weten in. Als dat waar zou zijn, bevond de mens zich in een voortdurende neerwaartse spiraal.

2004: Verdacht vlees

De slager heeft een zoon. Een donker-sluikharige snaak van een jaar of vijftien. Zo’n onbeholpen slungel in een veel te grote witte jas die op woensdagmiddag en zaterdag het kalfsgehakt voor de tweede keer door de molen mag proppen. Een engerd als in de film ‘The Boys from Brasil’. Er gaat iets beklemmends van hem uit. Het snijden in andermans vlees bekoort hem wel, vermoed ik.